Geschiedenis

Griekenland heeft een rijke historie. Overal op het vasteland en op de Griekse eilanden vind je overblijfselen van diverse culturen. De olijfboom werd op Kreta geintroduceerd en is inmiddels de meest voorkomende boom in Griekenland. In elke provincie of op elk eiland vindt men wel overblijfselen van oudere beschavingen. We hebben een top 10 gemaakt:

  1. Akropolis (Parthenon) - deze veel bezochte tempel staat in Athene
  2. Delfi - het orakel van Delfi
  3. Meteora - de kloosters bovenop de rotsen
  4. Olympia - overbllijfselen van de de oude stad
  5. Epidaurus - prachtig amphi-theater
  6. Korinthe - het kanaal van Korinthe
  7. Achilleion - paleis van Keizerin Sissy op Corfu
  8. Knossos - oude tempel op Kreta
  9. Lindos - oude stad op Rhodos
  10. Sounio - Griekse tempel van Poseidon in Attika

Natuurlijk zijn er veel meer mooie oude opgravingen, tempels, kerken, kloosters e.d. te zien in Griekenland.

Prehistorie

In 40.000 voor Christus woonden al mensen in Epirus. De mensen leefden toen voornamelijk van de jacht en het verzamelen van vruchten. Een sociale revolutie vond plaats. Mensen gingen wonen op een vaste plaats en er kwam arbeidsverdeling.

De landbouw kwam uit het Midden-Oosten en bereikte Griekenland in ongeveer 7.000 voor Christus. Opvallende vondsten uit deze tijd zijn idolen, waaronder weelderige vrouwenfiguren van moedergodinnen die ongetwijfeld de vruchtbaarheid symboliseerden.

Bronstijd

Tussen ca. 2500 en 1200 voor Christus verplaatste het culturele zwaartepunt van Griekenland zich naar het zuiden, met name naar de oostkant van het vaste land, Kreta en de Peleponessus. De taal kreeg een verbeterde vorm.

Rond 2.000 voor Christus verplaatste het zwaartepunt van de cultuur zich naar Kreta en werden paleizen gebouwd in Knossos, Phaistos en Malia. Er werd geschreven op kleitabletten, in het Egyptisch.

IJzertijd

In de Griekse traditie is de enorme terugval in cultuur toegeschreven aan de inval van de uit het noorden komende Doriers. De Doriers waren superieur in de krijgskunst, waarschijnlijk vanwege het gebruik van ijzeren wapens die ze van nog noordelijker culturen hadden overgenomen.

Enkele eeuwen lang hing een grauwsluier van provincialisme over het Griekse vasteland en dat was de reden waarom historici met het etiket “Donkere Eeuwen” op de proppen kwamen.

Rond 900 ging het beter, ijzeren werktuigen leverden betere oogsten op en er ontstond meer welvaart.

Archaïsche tijd klassieke tijd

De belangrijkste bronnen van inkomsten bleven de landbouw, veeteelt en visserij. Het landbouwsurplus werd verhandeld en ook de industrie breidde zich uit. Van de op hoger niveau staande oosterse beschavingen namen de Grieken het schrift en het slaan van munten over.

Twee machtsblokken vormden zich; Athene en Sparta. In 431 mondde de spanning tussen deze twee grootheden uit in de Peloponnesische oorlog. Het hellenisme zorgde ervoor dat het politieke en militaire gewicht naar het westen en noordwesten verschoof, waardoor oude machtscentra hun macht verloren.

Romeinse tijd

In 168 voor Christus versloeg Rome de Macedoniers en werd Griekenland een Romeinse provincie onder de naam Achaia.

De Pax Romana (Romeinse vrede) brak aan. Het platteland raakte door honger, pest en ziekte en de grote onveiligheid steeds meer ontvolkt.

Byzantium en Christendom

In de steden concureerden allerlei heilsleren met elkaar. Kenmerkend voor het Byzanthijnse rijk waren de Romeinse staatsinstellingen, de Griekse cultuur en het christendom.

De haat tussen de Christenen in Oost en West zorgde in de 11e eeuw voor kruistochten. De grootste ramp voltrok zich echter in het Oosten van het rijk. De Seldsjoek-Turken namen in een sneltreinvaart een groot deel van Griekenland in.

Turkse tijd

Noord Griekenland en Thessalie waren al aan het einde van de 14e eeuw in Turkse handen. Na de verovering van Constantinopel op dinsdag 29 mei 1453, een weekdag die vele Grieken nog steeds met onheil associeren, werd de rest van Griekenland aan het domein van de Turken toegevoegd. De Ionische eilanden en de kust van Epirus kwamen nooit in de handen van de Turken.

De veroveringen bezorgden de Turken, die Soennitische moslims waren, een bestuurlijk probleem. De bevolking van de veroverde gebieden bestond voornamelijk uit christenen met een verschillende etnische achtergrond. De Osmanen bedachten het milletsysteem, dat niet op etnische afkomst maar op religieuze overtuiging berustte.

Griekse kooplieden en geleerden beseften dat Griekenland zijn vrijheid pas zou herwinnen als de bevolking goed onderwijs zou genieten en de ontwetendheid zou worden uitgebannen.

Strijd om onafhankelijkheid

In 1814 richtten Grieken in Odessa de Filiki Eteria op, een geheim genootschap dat overal cellen organiseerde om een opstand voor te bereiden.
De volgorde van onafhankelijkheid:

1832 Oud Griekenland
1864 Ionische Eilanden
1881 Thessalie
1913 Epirus+Macedonie+Kreta+Noord-Egeische zee
1920 West Thracie
1947 Dodekanesos

Engeland, de belangrijkste beschermer van het oinafhankelijke Griekenland, zag in de monarchie de enige oplossing om te voorkomen dat de Grieken elkaar naar de keel zouden vliegen. In 1833 kwam Otto aan de macht, de zoon van Lodewijk 1. In 1843 kwamen de Grieken echter in opstand en moest Otto een grondwet toestaan. In 1862 moest Otto zijn biezen pakken.

De bestijging van de troon door Yorgos 1, een Deense prins, ging gepaard met het uitvaardigen van een nieuwe grondwet, die veel democratischer was dan die van 1844. Het kapitalistische productiesysteem deed zijn intrede en ging gepaard met allerlei infrastructurele projecten.

Venizelos werd in 1910 met een overweldigende meerderheid gekozen door het parlement. Het leger werd beter gereorganiseerd en bewapend.

In 1913 volgde Konstandinos zijn door een gek vermoorde vader op. In 1920 werd hij opgevolgd door Yorgos II, die een jaar later op zijn beurt verjaagd werd. In 1928 werd Griekenland een republiek en nam Venizelos het roer over. De Griekse economie bevond zich in een overgangsfase van primair agrarisch naar industrieel-kapitalistisch.

In 1932 verloor Venizelos zijn meerderheid van stemmen. Na een referendum keerde Yorgos II in 1935 weer terug .

Op 28 oktober 1940 eiste Mussolini de doorgang. Op dat moment was Griekenland dus betrokken bij de Tweede Wereldoorlog. Begin 1945 was Griekenland weer vrij.

In 1952 kwam een grondwetswijziging tot stand en de verkiezingen leverden onder het toeziend oog van Uncle Sam een rechtse meerderheid op. In hetzelfde jaar trad Griekenland toe tot de NAVO.

In 1964 kwam Papandhreou als premier. In hetzelfde jaar werd Constantijn, voormalig Olympisch zeilkampioen, koning van Griekenland.

Op 21 april 1967 greep een groep kolonels de macht en kwam een einde aan de monarchie. Karamanlis werd op 24 juli 1974 binnengehaald als nieuwe premier en werd in 1980 president.

1 januari 1981 is Griekenland toegetreden tot de EEG. Papandhreou werd gekozen tot premier. In 1985 trad Karamanlis af en werd Papandhreou president van Griekenland.

In 1990 kon Karamanlis aan zijn tweede ambtstermijn beginnen. In 1993 kwam Papandhreou weer als premier naar voren. In 1995 kwam dan echt het einde aan de mogelijkheid van een nieuw bewind van Papandhreou en volgde Stefanopoulos Karamanlis hem op als president.

Wat zijn jouw tips?