Olympus

Voorjaar. Zeus torent boven de Thessalische vlakte op een berg voor goden. De Olympus markeert er de grens van het klassieke Macedonië. Aan zijn voet, in Dion, verzamelde Alexander soldaten en marketentsters. ‘Er werden tenten opgezet die plaats boden aan honderden sofa’s. Negen dagen (negen muzen) liet het hof zich de drank en gunsten welgevallen.’ Hier vond tijdens rituele spelen de première plaats van Euripides’ ‘Bacchae’.

Dion

Aline en ik slaan ook ons tentje op en dwalen dagen over de recente opgravingen. Studenten uit Thessaloniki krabben tussen klaprozen voorzichtig de aarde los. Later bestuderen ze hun vondsten onder microscopen. Beelden en beenderen zijn voor musea. Maar wat mensen 2340 jaar geleden aten en dronken, weten we door studie van micro-organismen. Naast het opgegraven badhuis staan stenen latrinestoelen boven een beekje. Op één ervan zat Alexander de Grote. Ik zit er naast en lees een vertaling van de ‘Bacchae’: Gekomen ben ik, zoon van Zeus, Dionysos, die eens de dochter van Kadmos baarde, verlost door bliksemvuur.
Mozaïekvloeren, geplaveide herkenbare straten, rust, stromend water, prachtige beelden. Er zijn nauwelijks andere mensen op het hectaren grote opgravingsveld. Het voorjaar staat uitbundig in bloei, de lucht is geparfumeerd van kruiden, een merel zingt en poept op de schouder van een muze-beeld, zintuigen zuigen de lente in. Aline en ik lopen dus hand in hand, maar onze ogen dwalen telkens over de klaprozen naar die geweldige berg vlakbij: de Olympus, een mythologisch decor dat ons gevangen houdt. We willen hem beklimmen, drieduizend meter hoog, op de Troon van Zeus zitten. Maar die ligt nog onder een dikke sneeuwkap en wij hebben geen winteruitrusting in de rugzak.

Morrisdansers

Eleni van het Tourist Bureau in Litochoro vertelt ons wat we al wisten. ‘Ga in mei die berg niet op, het is te vroeg. Sommige hutten zijn open, maar alleen ervaren klimmers, met overlevingsmateriaal behangen, maken een kans. Zelfs in september, het seizoen, is het slechts verantwoord bij voorspeld mooi weer, liefst met gids. Elke middag onweert het daarboven. Er zijn jaren dat we twintig onbezonnen wandelaars met helikopters moeten redden, als dat al lukt. Zo nee, ons kerkhof is ook heilig.’
Een hartige waarschuwing. We beloven voorzichtig te zijn en volgen voorlopig braaf een goed gemarkeerd pad, de E4. Met dagrugzakjes, mooi weer en goede kleding is achthonderd meter langzaam omhoog goed te doen. Wind en water om ons heen, geen ander mens te zien dan elkaar. Na vier uur één huis, het klooster Dionisiou, indrukwekkend desolaat. Tweehonderd meter hoger het gehucht Prionia, een paar barakken. Een bordje vertelt dat je hier vanaf 1 juni iets kunt eten en drinken. Een telefooncel. ‘Daar kun je een taxi bestellen om over het weggetje bovenlangs terug te keren’, had Eleni gezegd. De cel doet het en gerustgesteld gaan we door, misschien naar de hut Spilios Aghapitos. Die moet open zijn, maar is wel vier uur verder en achthonderd meter hoger. De uitdaging is groot. Aline zegt: ‘We kunnen alles, mits we niet te veel willen’ en we stappen dapper over een goed en lichtbesneeuwd pad door een dennenbos. Na een uur ineens de eerste andere mensen. Een dozijn Engelsen met gymschoenen aan de voeten, strooien hoeden met belletjes op hun hoofden: Morrisdansers uit de Midlands. Ze dansen ons tegemoet door de dunne sneeuw, bierblikjes in de hand, en zingen: ‘Refuge Asapitos marvellous’ op de wijs van ‘Old Mother Oxford’. Als ze voorbij zijn trekt de lucht dicht. Zeus gooit nu sneeuwballen naar één van zijn geliefden. Terug in Prionia bellen we de taxi van Eleni. Een hotelletje in Dion heeft een warm bad.

Jukebox

De Troon van Zeus blijft lokken. In september keren we terug met vrienden Rob en Willy. Het dorp Olympiada aan de westkant van de berg laat zich het bezoek van vier vreemdelingen niet ontgaan. We slenteren mee in de zondagse pantoffelparade door de dorpsstraat, leren draden trekken op een spinrok, koffie met veel suiker zetten in een kannetje en onder hilariteit heel verkeerd een weefgetouw hanteren. Als we een paar euro’s in een vooroorlogse jukebox gooien, handen beetpakken en een Tsamikos gaan dansen, slaat de vlam in de pan. Vreemdelingen die Grieks kunnen dansen, ongehoord. Het dorp blijkt een broeinest van folklore en stroomt toe. Een jongen met bromfiets wordt tegengehouden en hard terug gewezen. Jonge meisjes die al uren giechelend hun parcours van honderd meter aflegden durven nu ook het met hard neonlicht gevulde kafeneion in. Een boerinnetje gaat voorop met onblusbaar dansvuur en wie niet danst, eet en drinkt. Eigenaar Snorremans glundert. Twee jonge kerels zetten lege flessen op de vloer, dansen er rakelings om- en overheen, aangemoedigd door het hele dorp. Een opaatje laat een volle fles aanrukken om dezelfde kunststukjes te demonstreren. Hij gaat af als een gieter, maar de vrolijkheid stijgt. De mensen zijn net zo vrolijk en onvermoeibaar als de jukebox. Het is een eer om euro’s in het apparaat te mogen gooien. Wie Griekenland zoekt, vindt het.

De dag na de vorige avond

Laat in de avond zijn ook wij uitgeput. Op weg naar ons wilde kampstekje verderop laten we een gehucht vol blije mensen achter. Maar de volgende morgen, om half vijf, is het acuut benul van Rob en mij minder groot. Terwijl Aline en Willy zich nog eens omdraaien, struikelen wij met kleine ogen door het kampje aan de rivier. Toch zijn we snel op pad met de huurauto. Een rugzak vol proviand, reservekleding, dekens van metaalfolie, kaarten 1:20.000, wegwerptentje, mobieltje: het moet ons behoeden voor omkomen. Onderweg bijten herdershonden naar de wielen, maar na drie kwartier berijdbare modder meldt een bordje bij een slagboom dat we alleen te voet verder mogen. We scharrelen door Refuge B1, een militair barakkenkamp zonder schildwachten. Wel met een lege skilift en grommende honden, maar de beesten zitten gelukkig vast en de militairen slapen. Bij een roestige jeep brouwen we thee. De Mytikas (2917 m.) piekt helder tegen de vroege hemel. Hij lijkt dichtbij, maar we moeten eerst door een ravijn met plakken vuile sneeuw en dan een bergkam vol grote rotsblokken op. Echt moeilijk is het niet, vermoeiend wel. Na anderhalf uur wordt onze tred minder veerkrachtig. En natuurlijk speelt die Retsina van gisteravond een rol. Op ca. 2400 meter bij een steenmannetje op een lange helling warmen we een blik vlees met bonen. Het is negen uur en om elf uur kunnen we royaal op de Troon zitten.
Plotseling, terwijl ik het vuurtje met vaste spiritus voed en Rob met de kijker de verdere route afspeurt, rollen er dichte wolken over de kam en is de omgeving ineens een witte muur. Ongelooflijk, zoals binnen een minuut het weer kan omslaan. Op minder dan twee uur van de top kauwen we onze bonen in dichte mist. We weten de richting en klimmen nog honderd meter omhoog, maar als ineens donderend onweerslawaai om ons heen echoot, keren we subiet om. Zeus zelf spreekt hier en wie zijn wij om Hem tegen te spreken? We vinden op fluitafstand van elkaar de steenmannetjes terug en dalen in één ruk naar het vuile-sneeuw ravijn. Achter ons hol gelach van twaalf goden. In de mistdeken komen gaatjes die een blik gunnen op het verre dal waar Aline en Willy ongetwijfeld aan de koffie zitten en meewarig omhoog kijken. Teleurgesteld dalen we af, lopen schichtig door het nog steeds slapende militaire kamp en scharrelen met de auto vijftien kilometer naar beneden. Daar schijnt de zon op twee tentjes, maar onze tochtgenoten zijn er weg. Eten bij Snorremans in het feestdorp.