Samothraki Griekenland

15 september 2009

Het is wonderlijk gesteld met Samothraki, het groene, waterrijke Samos van Thracië in Noordoost-Griekenland, tweeëndertig kilometer voor de kust van Alexandroupolis. Voor de gemiddelde buitenlandse toerist die Griekenland aandoet, is het geen vanzelfsprekende bestemming. Het heeft geen vliegveld, ligt niet op de route ergens naartoe, past niet in een eiland-hop-vakantie en als eindbestemming heeft het de gemiddelde West-Europese toerist niet te bieden wat deze zoekt: gezellig toeristisch vertier – op zijn Grieks, natuurlijk. Wat op Samothraki wel al eeuwenlang in overvloed aanwezig is, is geheimzinnigheid.

Vanaf een heuvel kijk ik neer op een spectaculair gelegen ruïnecomplex – het Heiligdom van de Grote Goden aan de noordkant van het eiland, vlak bij Paliápolis. De gewijde grond ligt aan de voet van de hoogste berg van de Egeïsche Zee, de 1600 meter hoge Fengari, tegen de achtergrond van de zee. Vanaf de top zou Zeus himself de Trojaanse oorlog hebben gadegeslagen, en als je hier bij volle maan een wens doet, komt deze uit. Helaas kan ik het niet controleren, het is nieuwe maan. Met de plattegrond in de hand kijk ik naar beneden en zie een theater, de zuilengalerij, toegangspoort, rotunda’s en slaapvertrekken. Ik probeer me voor te stellen hoe het hier in 400 v. Chr. moet zijn geweest – een drukte van belang. Feestgedruis, gezang en gasten die ’s nachts ritueel werden ingewijd in de mysteriën van het eiland, die in dienst stonden van de Grote Goden. Deze Kabeiroi waren andere goden dan die van het hellenistische pantheon. Ver van de rest van de Griekse beschaving was een unieke religie ontstaan. Er werd een andere taal gebruikt dan het Oudgrieks en omdat ingewijden zwijgplicht hadden, is tot op heden niet bekend wat de mysteriën precies inhielden. Van heinde en verre kwamen mensen naar het huidige Paliopolis en doken onder in het enigma. Nog steeds hangt er die sluier van geheimzinnigheid, een sluier die zo dik is dat ik een beetje teleurgesteld ben. Het enigma biedt weinig inzichten in de aanbidding van de Moeder Godin – en daar was ik juist benieuwd naar. Meer duidelijkheid, en herkenning, biedt het museum ter plaatse, waar ik na een speurtocht door de heuvels naartoe loop. Naast de gebruikelijke terracotta voorwerpen en gouden sieraden staat er, onopvallend in een hoek, een gipsafdruk van het marmeren (boeg)beeld van de gevleugelde Nike, de godin van de overwinning. Het beeld uit 190 v. Chr. was waarschijnlijk een geschenk ter ere van een overwinning (van de Rhodiërs op Hannibal?) en werd in 1863 op het terrein van het heiligdom gevonden. Ik ben danig onder de indruk van deze krachtige, meer dan manshoge vrouw. Het gewaad dat ze draagt, lijkt door de wind tegen haar lichaam te worden gedrukt en het is alsof diezelfde wind haar elk moment kan optillen. Het originele beeld staat – zoals zoveel Griekse beelden – in het Louvre in Parijs.

Hipppies en dreadlocks

Na een warme lunch met uitzicht op de haven met ferry’s uit Alexandroupolis en Limnos in het havenstadje Kamariotissa (met 826 inwoners het grootste stadje op het eiland) zoeken we een geschikt strand voor de siësta. Hoewel de zuidkant van het eiland er op de kaart woest en avontuurlijk uitziet en er een enorme waterval schijnt te zijn, en een schitterend zandstrand (Pachia Ammos), kiezen wij voor de kiezelstranden aan de noordkant. We lopen door de branding tot we een geschikte plek vinden bij de monding van een droge rivierbedding, half onder het lover, en stapelen grote stenen tot kussens en rugleuningen. We rusten uit, zwemmen en sprokkelen aangespoeld, prachtig verweerd hout voor een vuur dat we tegen de avond aansteken in een ronde openhaard van – wederom – gestapelde stenen. Terwijl de muggen rond de vlammen dansen, zien wij de zon in het verre Westen perfect in de zee verdwijnen. Zodra het donker is, wordt het stil op het eiland. Op het dakterras van een restaurant in het authentieke vestingstadje Chora, de hoofdstad van het eiland, is de brandende zon snel vergeten. Het stadje is zo klein dat er geen straatnamen zijn: een huisnummer is genoeg. We eten er katsikaki (geit uit de oven) met uitzicht op rode pannendaken en het verlichte middeleeuwse fort en slenteren door de steile, donkere straatjes tot we op een terrasje neerstrijken voor een overheerlijk chocoladedessert. Het publiek is net zo bijzonder als de vele stijlvolle winkeltjes, en de sfeer in het dorp is in onze beleving totaal anders dan op andere eilanden. Energieker, frisser, jonger, aparter. Datzelfde ervaren we een paar dagen later als we ’s avonds na een spontaan openluchtconcert het plaatsje Loutra (Therma) binnenlopen en struikelen over de hippieachtige figuren die langs de weg sjaals, kettingen, tassen en sieraden verkopen. De terrassen zitten vol met jongelui met dreadlocks die kamperen op de verderop gelegen natuurcamping. Ik wil graag de oude, zwavelrijke baden van Loutra proberen, ook al heb ik geen last van artritis. Na een gratis intake adviseert een arts mij drie dagen lang twee keer per dag tien minuten te baden, ‘s ochtends en ’s avonds. Ik volg zijn raad op, we logeren toch in Loutra en om het geld hoef je het niet te laten. Ik baad dagelijks, met Griekse dames op leeftijd die hier speciaal voor de thermen zijn gekomen, in het warme, stinkende water, dat iets ten zuiden van het badhuis uit de grond opborrelt. De dagen dat ik baad, mag ik niet in zee zwemmen dus maken we lange wandelingen langs de rivier die onder langs het dorp stroomt, en lunchen uitgebreid onder de platanen in het gezellige dorpje. De therapeutische werking van al dat water zal wel blijken…

Gevaarlijke capriolen

Een bezoek aan Samothraki is niet compleet zonder een wandeling langs de Fonias, de rivier die hoog in de bergen ontspringt en over vele plateaus stroomt, onderweg watervallen creërend, tot hij aan de noordkant van het eiland uitmondt in zee. Zijn naam – (moordenaar) dankt de rivier aan het feit dat zijn stroom in regenrijke winters soms zo sterk en krachtig is, dat hij alles meesleurt wat hij op zijn pad treft. Na een half uur lommerrijk wandelen langs de rivierbedding – een beetje druïde zou zich hier meteen thuis voelen! – bereiken we de eerste waterval. Het ijskoude, kristalheldere water stort twaalf meter naar beneden in een diep meertje. Er zwemmen schildpadden rond, en erboven dansen enorme kobaltblauwe libellen. De rotsen eromheen liggen vol toeristen. We klimmen verder, het pad stijgt. Tot op zeker hoogte – letterlijk – staan wandelroutes aangegeven, maar dan zijn we aan onszelf overgeleverd. Het geluid van de belhamel in de verte is geruststellend. We klimmen van waterval naar waterval en rusten idyllisch op hoger gelegen, zonbeschenen rotsterrassen tussen het groen. De rotsen zijn hier leger, en in de verte zien we klimmers gevaarlijke capriolen uithalen. Omdat het snel kan afkoelen tussen de hoge, grijze rotswanden slaat de sprookjesachtige sfeer vrij plots om in kille onherbergzaamheid zodra de zon ondergaat. Wij zorgen dat we op tijd uit de bergspleet vertrekken en zijn nog op tijd om ons op te warmen in het laatste zonlicht op het strand.
Over het ruige en tegelijkertijd lieflijke Samothraki zijn de meningen verdeeld. Als je na een middag in het slaperige hoofdstadje en een toer langs de spectaculaire kusten nog niet met de avondboot terugwilt (ik heb verhalen gehoord!), schijnt er, ook als je je prima vermaakt, na een dag of drie een moment te komen dat je van het eiland af wilt. Voor mij was dat moment na een week. Ik kocht een kaartje voor de boot naar Athene en prees me gelukkig dat ik dit bijzondere, mysterieuze eiland aan den lijve heb kunnen ervaren.