Stamppot met Tzatziki

15 maart 2009

Een paar weken geleden reed ik met een gangetje van rond de 120 km/u op de snelweg. Luidkeels zong ik mee met een oud Grieks liedje, dat doe ik alleen in de auto want zo’n geweldige zangstem heb ik niet. Ik leefde me lekker uit, mijn uithalen begeleidend met armbewegingen. Al geruime tijd reed er een politiewagen achter me maar daar besteedde ik verder geen aandacht aan. Totdat hij naast me kwam rijden en naast me bleef rijden. Ik voelde me bekeken en maakte een geïrriteerd gebaar, wat moeten jullie?! Waarschijnlijk dachten ze dat ik zat te bellen vanwege alle bewegingen die ik maakte, na een hoofdknikje reden ze door. Op dat moment realiseerde ik me dat je in Nederland gerust zo tegen de politie kan doen maar dat ik dat persoonlijk in Griekenland wel uit m’n hoofd laat.

Uniformen

Zodra daar een uniform in zicht komt, is de humor en gemoedelijkheid ver te zoeken. Een uitgestreken gezicht zonder ook maar een zweem van een glimlach zit er boven die kleding. Dat Cypriotische politieagenten uit hetzelfde hout gesneden zijn, bleek toen ik een keer op weg naar het vliegveld de verkeerde afslag op een rotonde nam. Ik wist dat als ik die weg bleef volgen een flink eind uit de richting kwam en het vliegtuig niet op mij zou wachten. Er was geen tegemoet komend verkeer dus reageerde ik met een snelle U-turn. Helaas stonden er achter de eerstvolgende oleanderstruik twee politieagenten die een stopteken maakten. Ik draaide mijn raampje omlaag met een vriendelijk kalimera. Geen goedemorgen volgdemaar een kort ‘Did you really make a U-turn?’ In het Grieks legde ik uit waarom en dat ik geen bord had gezien dat het op die plaats verboden was. Geringschattend vroeg hij of ik eigenlijk wel een rijbewijs had en wenste dat te zien. Vervolgens zei hij met een zeer streng gezicht dat ik dat nóóit meer moest doen. Ik kreeg de neiging om met een pruilmondje ‘Nee, oom agent’ te zeggen maar kon me beheersen en bedankte hem vriendelijk. Dit soort machtsvertoon treedt op bij zowat iedere uniformdrager. Je ziet het ook bij het personeel op de ferry’s. Met een strak gezicht, alsof hun leven er van afhangt, staan de medewerkers druk te gebaren of op een fluitje te blazen om auto’s als vee het ruim in te loodsen. Een keer nam ik de veerboot van Kefalonia naar het vasteland. Toen ik eenmaal op de boot uitstapte, werd mijn blik omhoog getrokken naar een soort open verdieping waar een medewerker een automobilist met driftige kom-maar-gebaren dirigeerde. Het gezicht boven het uniform keek terug, bleef kijken, maar ging ook door met gebaren maken. Ik zag het gebeuren maar geloofde mijn ogen niet, de auto viel van de verdieping en plette de auto die eronder stond. Gelukkig was die leeg en pas toen bleek dat ook de ‘bovenste’ bestuurder ongedeerd was, durfde ik te lachen. Sterker nog: ik kon niet meer ophouden. Zeker niet toen het schreeuwen van bevelen en heen en weer geren absurde vormen aannam die al met al een dikke drie uur vertraging opleverden. Mijn plannen voor die dag waren flink in de war gegooid maar ik had in ieder geval wel een heel smakelijk verhaal te vertellen.